De Vlaamse en Belgische overheid moeten zelf verantwoordelijkheid opnemen voor de architectuur, kennis en continuïteit van hun kritieke digitale infrastructuur. Wie de technologie kiest, moet ook begrijpen welke afhankelijkheden die keuze creëert en hoe die later kunnen worden afgebouwd.
Wanneer een overheid haar digitale werking grotendeels laat bepalen door commerciële technologiebedrijven, neemt ze beslissingen die veel verder gaan dan de aankoop van software. Die keuzes bepalen mee hoeveel controle ze behoudt over haar gegevens, hoe vrij ze is om van leverancier te veranderen en welke kosten ze op lange termijn zal dragen.
Voor mij ligt daar de kern van digitale soevereiniteit. De overheid moet technologie behandelen als een strategisch onderdeel van haar eigen werking. Dat vraagt technische kennis, bewuste architectuurkeuzes en verantwoordelijkheid voor de continuïteit van kritieke digitale diensten.
Jan Smedts, hoofd van Digitaal Vlaanderen, bracht een vergelijkbare uitdaging onder de aandacht met zijn visie op een Vlaams Government Operating System. Hij pleit voor een open, modulaire basis waarop overheidsdiensten kunnen samenwerken en verder bouwen. Die visie raakt aan een fundamentele vraag: hoeveel controle wil de overheid zelf behouden over de technologie waarvan haar dienstverlening afhankelijk is? Bron: Digitaal Vlaanderen, 4 november 2025.
Mijn standpunt is duidelijk. De overheid moet voldoende technische en organisatorische capaciteit behouden om haar digitale toekomst zelf mee te bepalen.
Digitale soevereiniteit gaat verder dan open source
Het debat over digitale soevereiniteit wordt vaak herleid tot de keuze tussen open-source- en commerciële software. Die benadering is te beperkt.
De werkelijke vraag is hoeveel controle de overheid behoudt over haar digitale infrastructuur. Wie bepaalt de architectuur? Wie beheert de essentiële gegevens? Welke externe partijen zijn noodzakelijk om de dienstverlening operationeel te houden? En kan de overheid van platform veranderen zonder haar werking ernstig te verstoren?
Dat zijn strategische architectuurvragen.
Een toepassing kan vandaag perfect functioneren en toch een probleem vormen op lange termijn. Wanneer gegevens, integraties, workflows en beheerprocedures sterk verbonden zijn met één leverancier, wordt een overstap steeds moeilijker. De organisatie moet mogelijk gegevens converteren, koppelingen vervangen, medewerkers opleiden en processen opnieuw inrichten.
Die gevolgen moeten al bij de aankoop worden onderzocht.
Een contract met een leverancier is immers geen garantie dat een organisatie later eenvoudig kan vertrekken. Daarvoor zijn overdraagbare gegevens, bruikbare documentatie, beschikbare expertise en technisch haalbare alternatieven nodig.
Digitale soevereiniteit betekent daarom dat de overheid bewust beslist welke afhankelijkheden ze aanvaardt en hoe ze de risico’s ervan beheerst.
Open source verdient een volwaardige plaats in de overheidsstrategie
Open source kan bijdragen aan digitale autonomie, maar het resultaat hangt af van de manier waarop de software wordt beheerd.
Bij open-source software is de broncode beschikbaar volgens de voorwaarden van de toepasselijke licentie. Daardoor kunnen organisaties de code inspecteren en, waar de licentie dat toestaat, aanpassen. Ze kunnen ook andere partijen inschakelen voor onderhoud of verdere ontwikkeling.
Dat biedt mogelijkheden om de afhankelijkheid van één leverancier te verminderen.
Denk aan Linux als besturingssysteem, open-sourcevirtualisatieplatformen, open databases en toepassingen die gebruikmaken van open standaarden. Afhankelijk van de functionele en technische vereisten kunnen zulke oplossingen een geschikt alternatief vormen voor commerciële platformen.
Maar open source is geen automatische garantie voor veiligheid, continuïteit of onafhankelijkheid.
Software moet worden onderhouden. Beveiligingsproblemen moeten worden opgevolgd. Updates moeten worden getest en geïnstalleerd. Er moet voldoende kennis beschikbaar zijn om storingen te onderzoeken en de werking te herstellen.
Een organisatie die open-source software gebruikt zonder een duidelijk onderhoudsmodel, kan afhankelijk worden van een kleine groep specialisten of van een project waarvan de ontwikkeling stilvalt.
De overheid moet daarom niet uitsluitend kijken naar de licentie, maar ook naar de maturiteit van het project, de onderhoudsactiviteit, de beschikbare expertise, de beveiligingsaanpak en de mogelijkheden voor professionele ondersteuning.
Een commerciële oplossing kan voor een bepaalde toepassing de beste keuze zijn. Open source kan voor een andere toepassing meer controle, flexibiliteit of economische voordelen bieden. De beslissing moet gebaseerd zijn op aantoonbare geschiktheid, beheersbaarheid, risico’s en totale eigendomskosten.
De overheid moet haar eigen architectuur kunnen sturen
Strategisch eigenaarschap betekent niet dat de overheid alle software zelf moet ontwikkelen of elk datacenter zelf moet beheren.
Het betekent dat ze zelf moet kunnen bepalen hoe haar kritieke digitale diensten zijn opgebouwd en welke afhankelijkheden daarbij aanvaardbaar zijn.
Daarvoor is een modulaire architectuur belangrijk. Systemen moeten waar mogelijk met elkaar kunnen communiceren via gedocumenteerde interfaces en geschikte open standaarden. Gegevens moeten in bruikbare formaten beschikbaar blijven. Configuraties, integraties en herstelprocedures moeten voldoende worden gedocumenteerd.
Wanneer een onderdeel vervangen moet worden, mag dat niet automatisch betekenen dat de volledige digitale omgeving opnieuw moet worden opgebouwd.
Een modulaire aanpak maakt het mogelijk om onderdelen onafhankelijk te beheren en, waar de architectuur dat toelaat, afzonderlijk te vervangen. Dat kan de keuzevrijheid vergroten en de impact van een toekomstige migratie beperken.
De visie van Jan Smedts op een Government Operating System sluit aan bij dit idee. Een gemeenschappelijke, modulaire basis moet overheidsdiensten toelaten om gedeelde bouwstenen te gebruiken in plaats van telkens opnieuw afzonderlijke oplossingen te ontwikkelen.
De concrete invulling bepaalt uiteraard het resultaat. Een gedeeld platform kan samenwerking bevorderen, maar vraagt eveneens duidelijke afspraken over beheer, beveiliging, verantwoordelijkheden, interoperabiliteit en de mogelijkheid om onderdelen te vervangen.
De overheid moet dus niet alleen nadenken over welke platformen ze gebruikt. Ze moet ook bepalen wie de architectuur beheerst en wie kan ingrijpen wanneer de gekozen oplossing niet meer voldoet.
Kritieke digitale diensten vereisen aantoonbare controle
Niet elke toepassing vereist dezelfde mate van digitale autonomie.
Een beperkte toepassing die eenvoudig vervangen kan worden, stelt andere eisen dan een systeem waarop meerdere overheidsdiensten steunen. Voor kritieke diensten moeten de mogelijke gevolgen van uitval, een beveiligingsincident of het wegvallen van een leverancier zwaarder doorwegen.
Daarom moet de overheid haar digitale infrastructuur beoordelen op basis van het belang van de dienstverlening en de risico’s van afhankelijkheid.
Voor kritieke systemen betekent dit onder meer:
- De architectuur en technische documentatie beschikbaar houden voor de verantwoordelijke overheidsorganisatie.
- Vooraf vastleggen hoe gegevens en configuraties kunnen worden overgedragen.
- Open standaarden en overdraagbare gegevensformaten toepassen waar die technisch geschikt zijn.
- Contractueel regelen welke ondersteuning, documentatie, toegangsrechten en continuïteitsvoorzieningen noodzakelijk zijn.
- Een uitvoerbaar migratieplan voorzien wanneer de organisatie van leverancier of platform moet veranderen.
- Voldoende interne expertise behouden om voorstellen van leveranciers onafhankelijk te beoordelen.
De concrete maatregelen verschillen per toepassing. Een publieke website vraagt een andere aanpak dan een platform voor gegevensuitwisseling tussen verschillende overheidsdiensten.
Het uitgangspunt blijft hetzelfde: de overheid moet kunnen aantonen dat ze de risico’s kent, haar verantwoordelijkheden begrijpt en over een realistisch plan beschikt om de dienstverlening te blijven verzekeren.
Technische kennis is noodzakelijk voor onafhankelijk opdrachtgeverschap
Een organisatie die haar digitale strategie volledig aan externe leveranciers overlaat, loopt het risico geleidelijk het vermogen te verliezen om alternatieven zelfstandig te beoordelen.
Dat gebeurt wanneer de diepgaande kennis over architectuur, integraties, configuraties en platformafhankelijkheden grotendeels buiten de organisatie zit.
Externe expertise is waardevol en blijft in veel gevallen noodzakelijk. De overheid hoeft niet elke technische taak intern uit te voeren. Ze moet wel voldoende kennis behouden om de kwaliteit van het geleverde werk te beoordelen, risico’s te herkennen en de juiste eisen te stellen.
Dat vraagt investeringen in kennis over infrastructuur, cloudarchitectuur, cybersecurity, gegevensbeheer en softwareonderhoud.
Ook de voorbereiding van overheidsopdrachten moet daarop aansluiten. Wanneer een aanbesteding vooral kijkt naar de initiële aankoopprijs en de beschikbare functionaliteiten, kunnen belangrijke kosten en risico’s buiten beeld blijven.
Hoe wordt de oplossing beheerd? Welke integraties zijn nodig? Hoe worden gegevens beschermd en hersteld? Welke expertise is vereist? Wat gebeurt er wanneer de leverancier zijn voorwaarden wijzigt of de ondersteuning beëindigt?
Dit zijn vragen die bij de architectuur- en aankoopbeslissing horen.
Overheidsopdrachten kunnen de Belgische technologiesector beïnvloeden
De overheid is een belangrijke afnemer van technologie. De manier waarop ze opdrachten formuleert, beïnvloedt welke oplossingen en leveranciers in aanmerking komen.
Wanneer opdrachten sterk aansluiten bij de gesloten ecosystemen van enkele grote platformleveranciers, kan het voor kleinere gespecialiseerde ondernemingen moeilijker worden om mee te dingen.
De overheid kan meer ruimte creëren voor concurrentie door duidelijke eisen te stellen aan interoperabiliteit, documentatie, overdraagbaarheid en onderhoudbaarheid. Waar open-sourceoplossingen geschikt zijn, kan ze ook hergebruik en gezamenlijke ontwikkeling onderzoeken.
Dat kan publieke investeringen efficiënter laten renderen wanneer verschillende overheidsdiensten dezelfde softwarecomponenten kunnen gebruiken of samen bijdragen aan het onderhoud ervan.
België beschikt over technologiebedrijven en onderzoeksorganisaties die eigen expertise ontwikkelen. Odoo is actief in bedrijfssoftware en imec in onderzoek en innovatie. Een zorgvuldig opgebouwd aankoopbeleid kan geschikte Belgische en Europese ondernemingen kansen bieden om als technologiepartner op te treden.
Daarbij zijn transparante en proportionele selectiecriteria noodzakelijk. De overheid moet kiezen op basis van kwaliteit, geschiktheid, veiligheid, kosten en de relevante eisen van de opdracht.
Lokale ontwikkeling is geen doel op zich. Evenmin hoeft elke toepassing open source te zijn. De overheid moet wel vermijden dat haar aankoopbeleid onnodige afhankelijkheden creëert en de toekomstige keuzevrijheid beperkt.
De werkelijke kosten van technologie en afhankelijkheid
Open source wordt soms voorgesteld als een manier om softwarekosten te vermijden. Dat beeld is onvolledig.
Ook open-sourceoplossingen vereisen infrastructuur, beheer, opleiding, beveiligingsupdates en ondersteuning. Afhankelijk van de toepassing kunnen die kosten aanzienlijk zijn.
Commerciële oplossingen hebben eveneens kosten die verder gaan dan de jaarlijkse licentie. Denk aan aanvullende abonnementen, integraties, maatwerk, opleiding en de inspanning die nodig is om gegevens naar een ander platform over te zetten.
Een zinvolle vergelijking houdt rekening met de totale eigendomskosten over de verwachte levensduur van de oplossing.
Daarbij horen minstens de kosten voor licenties, infrastructuur, beheer, ondersteuning, beveiliging, integraties, opleiding en eventuele migratie.
De overheid moet bijvoorbeeld kunnen beoordelen wat het kost om een toepassing gedurende vijf tot zeven jaar te gebruiken en te onderhouden. Die periode is een mogelijke analysehorizon, geen algemene norm voor iedere toepassing.
Ook het uitstapscenario moet worden doorgerekend. Zijn de gegevens exporteerbaar? Zijn er geschikte alternatieven? Hoeveel koppelingen moeten worden vervangen? Welke kennis ontbreekt intern? Hoe wordt de dienstverlening tijdens de migratie verzekerd?
Zo wordt zichtbaar welke financiële en operationele gevolgen een bepaalde architectuurkeuze kan hebben.
Dezelfde analyse moet voorkomen dat een open-sourceoplossing wordt gekozen zonder voldoende budget voor onderhoud en beveiliging. Een lage initiële aanschafprijs zegt op zichzelf weinig over de kosten gedurende de volledige gebruiksperiode.
De doelstelling is een onderbouwde keuze waarin zowel de financiële gevolgen als de strategische risico’s worden meegenomen.
Van technologie aankopen naar strategisch eigenaarschap
De overheid hoeft geen softwarebedrijf te worden. Ze moet wel de verantwoordelijkheid opnemen voor de digitale infrastructuur waarvan haar dienstverlening afhankelijk is.
Dat begint met het identificeren van kritieke systemen en het beoordelen van de afhankelijkheden die ermee samenhangen. Vervolgens moet de overheid vastleggen welke controle ze zelf wil behouden, welke expertise daarvoor nodig is en hoe de continuïteit wordt verzekerd.
Open source kan daarbij een belangrijke rol spelen. De beschikbaarheid van broncode, de mogelijkheid om meerdere onderhoudspartijen in te schakelen en het hergebruik van software bieden mogelijkheden om de keuzevrijheid te vergroten. Het resultaat hangt af van de kwaliteit van het beheer en de organisatie errond.
Commerciële technologie blijft eveneens een geldige keuze wanneer ze aansluit bij de behoeften en risico’s van de organisatie. Voorwaarde is dat de overheid de gevolgen van die keuze begrijpt en de afhankelijkheden bewust aanvaardt.
Mijn standpunt is duidelijk: digitale technologie moet een onderdeel zijn van het strategische beleid van de overheid. Dat vraagt investeringen in mensen, architectuur, documentatie en continuïteitsplanning. Het vraagt ook een aankoopbeleid dat rekening houdt met de volledige levensduur van systemen en de mogelijkheid om later van richting te veranderen.
Mijn oproep aan de Vlaamse en Belgische overheid is om bij elke kritieke digitale investering drie vragen te stellen: welke controle willen we zelf behouden, welke afhankelijkheden aanvaarden we en hoe kunnen we de dienstverlening voortzetten wanneer onze huidige oplossing wegvalt?
Digitale soevereiniteit begint bij het vermogen om die vragen onderbouwd te beantwoorden en verantwoordelijkheid te nemen voor de keuzes die daarop volgen.

Daniël Van Dromme
Ik ben een Systems Integrator en Infrastructure Architect met meer dan 28 jaar professionele ervaring. Mijn mening is mijn eigen mening en de visie van Peritus Consult.
